Woningen

DCF Model
Het DCF model (beschouwingsperiode 10 of 15 jaar) bevat zowel een uitpondwaardering als exploitatiewaardering. Beide waarderingen worden altijd gelijktijdig berekend en bevatten waar nodig afwijkende parameters, bijvoorbeeld voor mutatiegraad/uitpondgraad en disconteringsvoet. De gebruiker kan aangeven of de hoogste van deze waardering genomen moet worden (standaard instelling) of dat er redenen zijn om expliciet te kiezen voor een exploitatie of uitpondwaardering. In die gevallen kan tevens een toelichting worden ingevuld.

NAR Model
Met het NAR model kan de marktwaarde worden vastgesteld en wordt op basis van de ingevoerde parameters in het DCF model een IRR bepaald. Het NAR model kan gebruikt worden als gevraagde waarderingsmethode, maar zal in de meeste gevallen dienen als middel bij het vaststellen van de DCF of als toets van de DCF taxatie. Voor woningcorporaties is de NAR taxatie alleen beschikbaar bij BOG.

Modelmatige Parameter Vaststelling
Ten behoeve van de waardering van (homogene) portefeuilles van woningcorporaties wordt een aantal parameters modelmatig vastgesteld: het betreft hier onder meer de disconteringsvoet, exit yields, markthuur, percentage verkoop aan derden, erfpachtcorrectie en anderen. Naast modelmatige bepaling kunnen veel parameters ingevoerd worden op een hoger geografisch niveau dan voor het individuele complex. Indien een bepaalde parameter voor bijvoorbeeld de meeste complexen in een bepaalde buurt geldt, dan kan deze parameter worden ingevuld op het niveau van de buurt en worden overschreven voor die complexen waar dat nodig is.

Markthuurtabel
De markthuur kan worden afgeleid van de leegwaarde. Hiertoe is het mogelijk om op modelniveau voor verschillende combinaties van oppervlakte en leegwaarde per m2 de markthuur uit te drukken als percentage van de leegwaarde. Op basis van deze gegevens wordt per eenheid het geldende percentage berekend en dit resulteert in een voorstel voor de markthuur.

 

Externe bronnen voor objectkosten
Indien wenselijk kan gebruik worden gemaakt van externe bronnen voor het vaststellen van de objectkosten. Hiervoor wordt een koppeling gemaakt tussen de individuele eenheid en het betreffende referentietype voor de onderhoudskosten. Wanneer in het primaire systeem detailinformatie is vastgelegd over kozijntype, c.v. type, aanwezigheid van liften / hydrofoorinstallaties etc. dan kan dit worden meegenomen bij het vaststellen van o.a. de verwachte onderhoudskosten voor de betreffende eenheid.